Inhoudsopgave
Dominee Gremdaat, het alter ego van Paul Haenen, zou zeggen: kent u dat ook dat gevoel? Een dappere poging om het gevoel met carnaval te beschrijven deed Jef Bogman in zijn roman ‘Wals met Maria’. Zijn boek telde drie hoofdstukken: zondag, maandag en dinsdag. Maar Jef weet natuurlijk drommels goed dat het Maastrichtse carnavalsgevoel niet in woorden te vatten is. Taal is slechts een symbool van de werkelijkheid. Carnaval moet je tenslotte beleven, het kernwoord uit de klassieker Carnaval in Mestreech van Math Niël. Er rest ons dus niets anders dan dit feest der feestenvanuit een helikopterview te bezien.
Niemand minder dan Thomas Mann beschrijft in zijn roman ‘De Toverberg’ ook die drei daog maar dan gesitueerd in Oostenrijk. Hoe kom je die drie dagen door? En dan volgt de fantastische zin: “… de draad weer oppakken waar je hem de vorige avond hebt laten liggen.” Dichter bij huis hebben we de vergeten schrijver Anton van Duinkerken (1903-1968). In zijn ‘Verdediging van carnaval’ merkt hij op: “Het is een wijd verbreid begrip, dat Carnaval de mens verlagen zou. Wie deze mening uitdragen, zien voorbij, dat ieder feest de mens veredelt. Zij geven voor, dat Carnaval de mens gelijk maakt aan een dier. In zekere zin is dit waar: de carnavalsgast kent, als het dier, geen verveling. Hij leeft in het ogenblik. Hij leeft er geheel in. Hij beleeft het. Hij maakt een bepaald moment van zijn bestaan tot het symbool van zijn hele bestaan.”
En in ‘De strijd van stof en geest’ geeft Van Duinkerken een bloemrijke beschouwing over het carnavalvierend volk: “Het volk blijft altijd een kind. Het denkt niet na, maar doet. Het geeft zichzelf geen rekenschap; het leeft. Zodra de zuidenwind de laatste winterdagen zoel doet zijn van naderende lente, springt dit verrukkelijke leven wakker. Het is spontaan en fris als het leven van een bloem. Het bloeit … Het leven van de natuur wordt levend in het volk. Het gist in alle bloed. Het doet de vingertoppen beven naar een nieuw geluk, het maakt de voeten lenig voor de dans. Het leven voelt zijn kracht. Groeien wil het en plotseling uitslaan tot een grote blije gloed.” Die laatste zin komt dicht in de buurt van het geluksgevoel dat onze Maastrichtse dichter Pierre Kemp in een meer dan rake dichtregel opschreef: “Maastricht is weer één Groot Beminnen.”
Tot slot een vingeroefening. Maastricht zinderde en schudde op haar grondvesten. Alle besef van tijd leek verloren te gaan bij deze chaotische orde. Opzwepende feestmuziek schalde uit de boxen van talloze cafés, bolderkarren en praalwagens, een oorverdovend geluid dat slechts overtroffen werd door een kakofonie van ritmisch slagwerk en wegijlende blaasmuziek. Zo ongehoord als dat klonk voor een buitenstaander, zo vertrouwd zong het rond in de hoofden van de carnavalsvierders. Waar toeschouwers ordening miste, bewogen Maastrichtenaren zich in harmonie voort. De stad was omgetoverd tot één grote toneelschool om haar inwoners als topacteurs te laten uitblinken. En altijd maar dansen en springen, tot diep in de nacht. Wat de carnavalsvierders sloopte, gaf te zelfde tijd een stoot aan energie af die hen boven alle vermoeidheid leek op te tillen. En als het na drie dagen voorbij was, resteerde slechts een gevoel van heimwee, heimwee naar ervaren momenten van geluk.
Ik wens u ‘ne zaolige vastelaovend.
Paul van Grinsven