Inhoudsopgave
De raadsfractie van het CDA heeft het helemaal gehad met de opstelling van de gemeente Maastricht in de kwestie rond een afgezaagde houten balk in het pand Kleine Staat 20. "Wij komen wat het vervolgproces betreft tot een andere conclusie."
In een lange serie vragen maakt de partij haar ongenoegen kenbaar. Gabriëlle Heine van het CDA: "Zoals inmiddels bekend wil de gemeente het tot een bodemprocedure laten komen met de eigenaar van Kleine Staat 20. Wij hopen alsnog dat er tot een oplossing gekomen kan worden en een rechterlijke procedure, waar weer gemeenschapsgeld aan te pas komt, voorkomen kan worden."
Uit de vragen wordt duidelijk dat het CDA toe wil naar een praktische oplossing, zeker ook gelet op de verwachtingen die de gemeente zelf heeft opgeroepen bij de eigenaar van het pand. Die vertrouwde erop dat hij de balk mocht doorzagen. De gemeente heeft van de afgezaagde balk een principe-kwestie van gemaakt die ze desnoods in een langdurige rechtszaak wil uitvechten. De gemeente vreest dat als ze haar gelijk niet afdwingt, monumentaal waarden in panden in Maastricht niet meer te beschermen zijn.
Het CDA heeft hierbij de volgende vragen:
1. A- Kunt u nog eens kort in lekentaal vertellen waarom de balk van zulk grote monumentale waarde is gezien veel monumentale waarde uit het pand gesloopt is, ten tijde dat het pand nog niet betiteld was als Rijksmonument?
B- Heeft de balk hierdoor nou meer waarde gekregen of niet? Gezien in onze boerenlogica het feit dat er al zoveel uit het pand gesloopt is, de balk juist minder waardevol maakt.
C- Speelt het feit dat de balk niet zichtbaar is mee of niet?
2. De ambtenaar van monumenten vertelde dat de balk ‘te redden was’ door de trap toch via de winkel te laten lopen en dat het aan de matige ontwerpkracht van de architect lag dat hij de trap niet goed heeft weten te ontwerpen.
A- Kunt u voorbeelden toevoegen van hoe de trap volgens de gemeente uit had kunnen zien?
B- De trap zou wat betreft de gemeente zichtbaar zijn vanuit de etalage en een deel van de blik op de winkel tegenhouden. Deelt u onze mening dat dat vanuit het ondernemersperspectief en vanuit economisch belang niet wenselijk is?
C- Wij begrijpen dat afdeling monumenten vanuit haar vakgebied een oordeel velt, maar hoe houden zij bij hun afweging rekening met het ondernemersperspectief en behoud van de aantrekkelijkheid van het winkelpand? Kunt u daarvan een uitleg geven in deze casu.
D- Is er enige correspondentie over wat er met de balk moest gebeuren vooraf aan de vergunningverlening of is dit alles mondeling gegaan? Wat is de juridische status van alles mondeling te hebben gedaan voor een eventuele rechterlijke procedure?
E- Kunt u uitleggen wat de monumentale meerwaarde zou zijn om de balk nu nog te herstellen, zoals de gemeente wil? De originele balk is weg, een eventuele herstelde balk zal nooit door iemand te zien zijn. Wat is de meerwaarde van het koste-wat-kost willen laten herstellen van de verwijderde balk?
F- Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn van het herstellen van de balk voor de huidige winkel die er nu zit en de gevolgen voor de eventuele bovenwoningen (verlies m2)? Acht u die gevolgen redelijk ten opzichte van het doel, een niet zichtbare monumentale balk ‘herstellen’ die dus deels niet meer monumentaal zal zijn? Hoe weegt u dat tegen elkaar af?
1. De vergunningverlener heeft vanwege de nodige snelheid een handtekening en stempel gezet onder tekeningen waarop duidelijk staat ‘Deels te verwijderen moerbalk’ en daarmee een omgevingsvergunning afgegeven. Als aanvulling op de vergunning zijn constructiegegevens ingediend waarop de gemeente ook nog een verklaring van geen bezwaar tegen uitvoering heeft afgegeven. Het is een fout geweest van afdeling vergunnen om een handtekening en stempel te zetten onder tekeningen waarop staat ‘Deels te verwijderen moerbalk’.
A- Hoe reflecteert u op het feit dat er een stempel en handtekening is gezet onder de tekeningen waarop duidelijk staat ‘deels te verwijderen moerbalk’? Zou u dit weer zo doen of zegt u achteraf dat dit niet had moeten gebeuren?
B- Hoe rijmt u dit handelen met het zorgvuldigheidsbeginsel? Hier ging snelheid immers boven zorgvuldigheid.
2. De gemeente wil in een rechterlijke procedure jurisprudentie aanvoeren waaruit blijkt dat een moerbalk als deze in geen enkel geval tot de onderliggende etage kan behoren. Hiermee wil men aantonen dat ondanks dat er ‘deels te verwijderen moerbalk’ staat op de tekeningen waarvoor een vergunning is afgegeven de heer Schilderman had moeten weten dat de vergunning dit niet impliceerde. In principe voert de gemeente dus jurisprudentie aan om hun eigen afgegeven vergunning onderuit te halen. Dat dit vanuit juridisch oogpunt een invalshoek kan zijn, begrijpen wij enigszins. Desalniettemin hebben wij vragen hierbij gelet op de beginselen van behoorlijk bestuur.
A. Hoe kijkt u vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel aan tegen een juridische procedure wanneer de gemeente zelf onzorgvuldig heeft gehandeld? Vindt uw college gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel dat u in casu zorgvuldig gehandeld heeft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat is daarvan het gevolg voor uw college?
B. Hoe kijkt u vanuit het rechtszekerheidsbeginsel aan tegen het afgeven van deze vergunning? Is de vergunning zo geformuleerd dat de heer Schilderman precies wist waar hij aan toe was, namelijk dat de balk niet verwijderd mocht worden terwijl op de tekeningen staat ‘deels te verwijderen moerbalk’? Of is de vergunning voor verschillende interpretaties mogelijk en wat is daarvan het gevolg voor uw college? Voor wiens rekening en risico moeten onduidelijkheden in de verleende vergunning komen volgens uw college?
C. Wat is in casu medegedeeld aan geïntimeerde toen de vergunning op 8 april verleend werd? Denkt uw college dat deze gelet op uw uitlatingen een beroep zal kunnen doen op het vertrouwensbeginsel? Zo ja, waarom en wat is daarvan het gevolg voor uw college? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt zich dat tot het vertrouwensbeginsel en de gedane uitlatingen in casu?
D. Aangezien erkend is dat snelheid (de verhuurder moest snel in het winkelpand kunnen trekken) de enige reden is dat er een stempel en handtekening onder de tekeningen met ‘deels te verwijderen moerbalk’ is gezet en er is ook toegegeven dat dit niet zo had moeten gebeuren. Daarnaast is het ook niet algemeen bekend dat moerbalken niet tot de onderetage kunnen horen. Deelt u onze mening dat de gemeente hiermee een beeld schept dat burgers worden geacht over voldoende juridische kennis te beschikken of voldoende juridische kennis te kunnen inhuren om afgegeven vergunningen te duiden? Is dit beeld wenselijk volgens u?
Wij zijn van mening dat deze kwestie zowel de gemeente als de heer Schilderman geen goed doet. In tijde van woningnood voert de gemeente nu een discussie over een meter moerbalk, die al weg is, en op dit moment de komst van 4 grote appartementen tegenhoudt. Gezien de 1. gemeente zelf aangeeft dat dit proces niet de schoonheidsprijs verdient, lijkt het ons gepast tot een gezamenlijke oplossing te komen en dit niet tot een rechterlijke procedure te laten komen.
A. Kunt u het gesprek met de heer Schilderman aangaan om zodoende een rechterlijke procedure te voorkomen en tot een gezamenlijke oplossing te komen?
B. Deelt u onze mening dat gezien de fouten die de gemeente in dit dossier heeft gemaakt er geen beeld of precedent wordt geschept voor andere pandeigenaren of ontwikkelaars om monumentale waarde zomaar uit een pand te halen? Zo nee, waarom denkt u dat?
C. Deelt u onze mening dat er al mensen hadden kunnen wonen in het pand als deze discussie over een meter moerbalk in een eerder stadium beslecht was? Is leegstand goed voor het monumentale pand en haar waarde?
D. Over de casus Dinghuis en de kubussen zei u ‘vergund is vergund’, zou dat in dit geval ook niet moeten gelden?
Met vriendelijke groet,
Gabrielle Heine
CDA Maastricht





